Zandspui

Plaats
Buurtschap
Etten-Leur
West-Brabant Baronie en Markiezaat
Noord-Brabant

Zandspui

Terug naar boven

Status

- Zandspui is een buurtschap in de provincie Noord-Brabant, in de regio West-Brabant, en daarbinnen in de streek Baronie en Markiezaat, gemeente Etten-Leur.

- De buurtschap Zandspui valt, ook voor de postadressen, onder het dorp Etten-Leur.

Terug naar boven

Naam

Naamsverklaring
“Spuien komen vooral voor in turfvaarten: zij dienden om de waterstand te regelen. De turfvaarten waren in vakken verdeeld. Een waterhouder (een ven) diende ervoor om de turfschuiten voldoende water te bezorgen bij het stroomafwaarts brengen van de turf. Verschillende spuien zijn genoemd naar de bodem: Leemspui en Zandspui, beide te Etten” (89).

Terug naar boven

Ligging

De buurtschap Zandspui ligt rond de gelijknamige weg, ZO van Etten-Leur. W grenzend aan de Rijsbergseweg, O aan de Hoge Bremberg.

Terug naar boven

Statistische gegevens

De buurtschap Zandspui omvat ca. 15 huizen met ca. 40 inwoners. Ook hier loopt (net zoals bijvoorbeeld bij Wildert) de huisnummering erg onregelmatig. De nummers lopen van 1 t/m 85, hoewel er dus maar ca. 15 huizen staan.

Terug naar boven

Geschiedenis

“Op Woensdag na Palmzondag 1331 had hertog Jan van Brabant aan Arnoud Dibbouts, Arnoud van Putte en consorten, poorters van Antwerpen, ter ontmoering en ontginning uitgegeven en verkocht een deel van zijn vroente*1 en heide of wildert*2, namelijk 17,5 hoeven (hofsteden) ieder van 12 bunders, dus totaal 210 bunders, en had verscheidene voorrechten daaraan verbonden, waaronder het tolvrij vervoer van allerlei goederen (vooral turf en hout) over een te graven vaart en weg tot aan de rivier de Mark. Deze uitgifte, in 1331 bevestigd en vermeerderd, werd op 3 Mei 1455 door den graaf van Nassau, Heer van Breda, nog uitgebreid met nieuwe bepalingen en werd alsdan geheeten ‘de Keuren van den Zande’. Deze plaats ‘den Zande’, gelegen tusschen den Bremberg en (Princen)Hage, kennen wij nog heden onder den naam ‘Zandspui’.

Aangelokt door voormelde voorrechten, vestigden zich al spoedig naast deze Zandspui van de Turfvaart en op het kruispunt van de oude Sprundelsche Baan met de Brembergschestraat, de spuiwinder of spuiwachter, de schutter of bochtmeester voor het vee, de turfgravers, de turfschuitvoerders. En omdat de turfschippers alhier aan de spui hun beurt moesten afwachten om geschut te worden, vestigden er zich ook eenige neringdoenden, onder wie zooals immer de herbergier een groote rol zal hebben gespeeld, zoodat er zich een gehucht vormde, bestaande uit menschen die een kleine belangengemeenschap stichtten.

Tusschen de Brembergsche Vaart en de Brembergschestraat lag er ten zuidoosten van Leur, even ten zuiden van ‘de Vijf Huizen’, een plaats of ‘plein’, geheeten ‘den Brembergschen Opslag’, alwaar de over water en weg aangevoerde turf werd opgeslagen en in de zon gedroogd, totdat zij in grootere schuiten werd overgeladen ter vervoer naar Breda en de steden van Holland en Zeeland. Tot onderhoud van weg en vaart en ook met het oog op een regelmatig turfvervoer werden in 1555 en 1628 Willekeuren of reglementen uitgevaardigd.

Wegens geschillen met haar nabuur (de gemeente Princenhage) werden de grenzen van deze wijk in 1651 en 1675 nader bepaald, waaruit blijkt dat een strook van het Liesbosch nog onder haar gebied gerekend werd, en dat ten zuiden van de Vuchtschoot de kleine heide door deze grens werd doorsneden. In de 14e, 15e en 16e eeuw beleefde de Brembergsche wijk een grooten bloei door deze turfnering, en werd zelfs een der welvarendste en dichtst bevolkte wijken van Etten genoemd.

Twee oorzaken deden helaas de welvaart geheel verschrompelen. De Tachtigjarige Oorlog (die eindigde met de Vrede van Munster in 1648) stremde de vrije turfvaart; de afpersingen der doortrekkende legerbenden verlamden de energie der gravers en schippers. En toen tot overmaat van ramp prins Philips Willem van Oranje in 1618 de Zundertsche moeren aan eenige machtige Brabantsche heeren verkocht, werd buiten den Bremberg een nieuwe turfvaart gegraven, wellicht die welke nu nog de IJzermolenvaart*5 genoemd wordt.

Deze werd meermalen, vooral in 1646, verbeterd, om op de kortste en voordeeligste wijze Breda van turf te voorzien, waardoor echter de Brembergsche turfnering van haar afzetgebied beroofd werd. Tengevolge daarvan had het onderhoud der Brembergsche Vaart geen zin meer. Deze verzandde meer en meer, zoodat er van de oude glorie van de Zandspui heden ten dage slechts een slootje is overgebleven.” (100, 1947)

“Op de Zandspui bij Marijn Mensen was het in de zomer een alledaags trefpunt voor heel de buurt. Er werd daar veel gekletst en ook gekankerd. Boeren en tuinders uit de buurt, maar ook de gewone werkman had wel wat frambozen en errebeesies (aardbeien, red.) en die werden allemaal gekeurd op kwaliteit. Nou moet je weten dat het krioelde van het ongedierte in dat spul, ondanks dat er toen al met Gesarol werd gespoten. De eerste pluk ging nog wel, maar dan begon de pret in de tubs; allerlei beestjes kwamen bovendrijven.

Er was toen nog geen waterleiding, maar er werd toch veel water toegevoegd. Eén liter water uit de put of gewoon uit de sloot bracht gewoon de prijs op van een kilo frambozen. Hoe groter de tuinder, daar hoorde ons vader toevallig ook bij, hoe meer dat opbracht. Maar alle mensen deden dat. Er is toen heel wat water naar de Hero in Breda gegaan. Het werd nog goed betaald ook. Mocht agent tevens keurmeester Marijn, ondanks waarschuwingen aan de brengers van al dat water, zich genoodzaakt voelen er tweede of soms wel derde soort van te maken, dan was hij wel de gebeten hond. Zijn café ‘t Molentje liep goed. Door verschillende tuinders werd er op z’n tijd een pintje gepakt. Marijn was een man met begrip voor de armoe die er in die tijd heus wel was.” (7)

Dezelfde informant (Rinus Braspenning) verstrekte ons de volgende gegevens*6: “Café ’t Molentje, zo is mij verteld door C. Mensen, is vóór 1850 gebouwd. De eerste bewoner was Jan Knijn. De tweede bewoners waren Jaan v.d. Beemt en zijn vrouw Mie Caulil. Daarna betrokken Marijn Mensen en zijn vrouw Kee van Elven het pand. Alle bewoners waren caféhouders. Marijn Mensen en zijn vrouw hebben het café van 1946 tot 1963 bestierd. In dat jaar is het café gesloten. Het achterste gedeelte was in vroeger jaren een timmerbedrijf van Jaan v.d. Beemt. Rinus Maas vertelde dat het huis meer dan tweehonderd jaar oud moet zijn. ’t Molentje staat aangegeven op militaire kaarten. Toen het timmerbedrijf werd gesloten, hebben Sus Aarts v.d. Beemt en Kiske van Rosmalen er nog in gewoond.”

*1 Voor de verklaring hiervan zie bij Vroenhout.
*2 Voor de verklaring hiervan zie bij Wildert gem. Etten-Leur en Wildert gem. Zundert.
*5 Deze vaart wordt verder beschreven bij Vloeiweide.
*6 In een interview in februari 2000.

Reactie toevoegen