Skip to content
Zundert » Postale gegevens » (Groot) Zundert

(Groot) Zundert

Plaatsnaam: 
Type kantoor: 
.
NAW
Beschrijving: 

Als ‘Groot- en Klein-Zundert’ paardenpoststation, distributiekantoor, hulpkantoor 1850, 1881 ‘Zundert’, postkantoor 1906.

Het hierna volgende artikel over de postgeschiedenis van Zundert is geschreven door Arthur Passtoors uit Heiloo (site). Arthur doet genealogisch onderzoek naar het geslacht Passtoors (uiteraard is hij geïnteresseerd in nadere informatie over deze familienaam en verwante families, zie voor verdere gegevens op de hiervoor genoemde site) en is uit dien hoofde geïnteresseerd geraakt in de postgeschiedenis van Zundert, dankzij welke navorsingen wij u de volgende informatie kunnen onthullen (de bronnen verwijzen, voorzover genummerd, naar de bibliografie aan het einde van het artikel):

‘Het distributiekantoor/hulppostkantoor te Zundert, 1810-1874’

De periode 1810 tot 1855
Op 22 februari 1810 werd Willem Passtoors (1784-1859) tot paardenpostmeester te Groot-Zundert benoemd. De paardenposterij, en later ook het distributiekantoor, werd gevestigd aan de Markt te Zundert (bron: genealogisch onderzoek A.W. Passtoors).

Op 9 juli 1810 lijfde keizer Napoleon de Nederlanden bij Frankrijk in en op 18 oktober van hetzelfde jaar bepaalde de keizer dat het postwezen in Nederland onder de Franse postwetten viel (bron 4, pag. 160).

Onder het Franse bestuur verschenen de zogenaamde malles-postes (postkoetsen). Dit waren rijtuigen die hoofdzakelijk waren bedoeld voor het vervoer van brieven, terwijl het meenemen van reizigers bijzaak was. Tegelijk met deze verbetering werd besloten tot het oprichten van bureaux de distribution (distributiekantoren) op veel plaatsen op het platteland. Aangezien het beheer van de malles-postes aan de paardenpostmeesters was toevertrouwd, wilde het gouvernement hen ook zo veel mogelijk met het beheer van de distributiekantoren belasten. Ook Willem Passtoors werd hiertoe aangewezen. Aangezien deze functie hem weinig financieel voordeel zou opleveren, was hij voor deze benoeming niet echt enthousiast. De inspecteur die met de reorganisatie was belast, had hem hierop echter geantwoord “dat er toch wel een japon voor Mevrouw zou overschieten” (bron 2, pag. 124).

De straatweg langs Groot-Zundert was in de Franse Tijd, alhoewel reeds voorzien van de benodigde bedding, nog niet bestraat. Kort na de Franse overheersing zou zij pas worden voltooid. De bestrating bestond toen uit onbehouwen keistenen. Dat er bij het snelle transport met paard en wagen over dergelijke wegen wel eens ongelukken gebeurden, moge duidelijk zijn (bron 2, pag. 127-128/134-135).

De brievenbestellers waren veelal kinderen van postiljons. Één van hen was Adriaan Crijnen, bijgenaamd ‘Janneke de Fluiter’, zoon van  postiljon Jan Crijnen. Zijn bijnaam dankte hij aan zijn bijzondere trompetspel. De bestellers kondigden namelijk van verre hun komst aan met een trompet. Na beëindiging van hun loop vervulden de bestellers in het bedrijf van Willem Passtoors vaak allerlei nevenfuncties: stalknecht, veehouder, boodschappenjongen en dergelijke (bron 2, pag. 134).

Omstreeks het midden van de 19e eeuw nam de verzending van brieven toe. De enveloppe werd geïntroduceerd en er werden brievenbussen geplaatst. Ook het bestelloon werd afgeschaft. In 1850 vond met de Postwet een hervorming van het postwezen plaats. De distributiekantoren verdwenen en werden vervangen door hulpkantoren. Aan het hoofd hiervan stond voortaan niet meer een distributeur (uitdeler), maar een gaarder (verzamelaar). Willem Passtoors had eertijds voor zijn kantoor zelf een stempel laten vervaardigen. De voorstelling hiervan was een posthoorn, doch deze leek “zeer veel op een koehoorn, waaraan een touwtje was vastgemaakt”. In 1850 werd dit stempel van overheidswege vervangen door een naamstempel. De te verzenden stukken moesten hiermee aan de achterzijde worden bestempeld. Een grote stap vooruit betekende op 1 januari 1852 de invoering van de postzegels (bron 2, pag. 137-138).

(Het hiervoor genoemde distributiekantoor-posthoorn-stempel van Groot-Zundert wordt in Korteweg (stempeltype 41) niet genoemd? Arthur Passtoors houdt zich aanbevolen voor een (kopie van) een poststuk met een dergelijk stempel, red.)

Toen de instandhouding van een eigen postrit niet meer rendabel was, werd omstreeks 1854 besloten tot opheffing hiervan. De brievenkar verdween en het vervoer werd toevertrouwd aan Van Gend en Loos. Het brievenvervoer te Zundert zou voortaan weer per voetbode geschieden. Willem Passtoors, sinds 1854 ontheven uit het ambt van paardenpostmeester, vroeg in 1855 eervol ontslag uit zijn betrekking van brievengaarder. Hij werd hierin opgevolgd door zijn zoon Willem Frederik George Lodewijk (roepnaam ‘Frederik’), die deze functie nog tot 1874 zou uitoefenen (bron 2, pag. 139).

De periode 1855 tot 1874
In 1855 volgde Frederik zijn vader op in de functie van brievengaarder op het hulppostkantoor van Groot-Zundert. Naast de normale briefbestellingen kreeg hij vanaf 1869, met de opheffing van het zogenoemde dagbladzegel, steeds meer krantenabonnementen te bezorgen. Vanaf circa 1870 nam ook het verzenden van prentbriefkaarten een grote vlucht. Vanwege de uitgestrektheid over een oppervlakte van circa 8.800 hectaren met een verspreide bebouwing, was het per voet bezorgen van de post zeker geen sinecure. Frederik hielp zelf regelmatig mee bij het bestellen van de post. Zo schrijft hij zelf hierover “… vatte ik den wandelstok weder op en hielp dapper mee…”  Vanaf 1863 werd Frederik geacht tweemaal daags de post rond te brengen, hetgeen hem een onmogelijke opgave leek. In een compromis werd uiteindelijk bewerkstelligd dat de post van de tweede zending tot op een beperkte afstand van het kantoor besteld zou worden en dat de rest met de eerste bestelling van de volgende ochtend rondgebracht zou worden. Omdat Frederik in Groot-Zundert verder geen toekomst zag voor zijn opgroeiende kinderen, vroeg en kreeg hij eervol ontslag bij besluit van 18 september 1874 nr. 89 (bron 2, pag. 139-143).

Kort na zijn ontslag vertrok Frederik met zijn gezin naar Amsterdam. In het bevolkingsregister van Amsterdam vinden we de inschrijving gedateerd op 21 oktober 1874 (bron G.A.A. bev.reg. 1875-1892, deel 563, blad 146).

De invoering van de pakketpost te Groot-Zundert maakte het mogelijk dat Frederik in 1883 zijn familie in Zundert versgebakken “Amsterdamsche korstjes” kon sturen (bron 2, pag. 146).

Bibliografie
1 ‘Levensschets van mijn vader’, W.F.G.L. Passtoors. Handgeschreven en dito geïllustreerd manuscript, 1856, ter gelegenheid van diens 72ste verjaardag op 9 september 1856. In dit manuscript bevindt zich onder meer een fraaie kleurentekening (penseel in kleur over potlood, formaat circa 50x30 cm) van het toenmalige postkantoor/woonhuis (illustrator onbekend). Voorheen werd de plaats van dit pand  aangeduid als Cingel of Dorpsplein, tegenwoordig is dit de Markt. Boven de twee deuren van het grote huis is een gevelsteen of gevelbord geplaatst. Ook boven het tweede raam van links is iets dergelijks te zien. De voorstelling van beide is niet duidelijk, doch stelt waarschijnlijk een wapen voor. Het bovenlicht van de linkerdeur draagt het opschrift: hulpkantoor der brievenpost.

2 ‘Geschiedenis van mijn voormalig kantoor en den aankleve van dien’, F. Passtoors (is W.F.G.L. Passtoors). Verschenen als artikel in de Almanak der Nederlandsche Posterijen, 1893, pag. 121-147. Oorspronkelijk gepubliceerd in De Volkscourant, populaire editie van Het Centrum.

3 ‘Het Verleden. Levensschets van mijn vader’, F. Passtoors (is W.F.G.L. Passtoors). Verschenen als artikel in de Almanak der Nederlandsche Posterijen, 1894, pag. 128-162.

4 ‘Van koetsen en karossen’, Joseph Jobé. Bewerkt door J.A.C. Bartels. Uitg. De Haan, Haarlem en Unieboek, Bussum, 1977.

Afbeelding
Poststuk met grenskantoorstempel Groot-Zundert (Korteweg 159), 1835. Dit stempel is slechts in gebruik geweest van december 1834 tot 1 januari 1837, toen Breda weer grenskantoor werd (Korteweg 157). Collectie Peter Heck.

Zundert stempel Groot-Zundert 1835