Zonzeelse Polder
Status
Polder in gedeeltelijk gemeente Moerdijk (t/m 1997 gemeente Zevenbergen), gedeeltelijk gemeente Drimmelen (t/m 1996 gemeente Made en Drimmelen). De naam geniet vooral bekendheid vanwege het ‘Knooppunt Zonzeel’, de aansluiting van de A16 op de A59 ZO van Langeweg, Z van Zevenbergen.
Ligging
Tussen Wagenberg, Zevenbergschen Hoek en Hooge Zwaluwe. ZW van het knooppunt Zonzeel ligt de Zonzeelse Dijk.
Beschrijving
De turfafgravingen (‘moernering’) zijn in dit gebied al vroeg aangevangen. In 1267 begint men hier aan de ontginning van een ‘moer’ van 258 hectare.
“Weilanden en enkele jonge loofbossen. Zonzeel is een belangrijk gebied voor weide- en trekvogels. De aanwezige petgaten, die in het verleden gegraven zijn voor de winning van turf, zijn nu prima plekken voor moeras- en watervogels” (70).
“Sinds een aantal jaren heeft Staatsbosbeheer hier bijna 100 hectare grasland in beheer met het doel de vogelstand van dit gebied weer op zijn oude niveau te herstellen. Staatsbosbeheer doet dat niet alleen, maar samen met het Waterschap en vooral ook samen met boeren die de graslanden in dit gebied in gebruik hebben. Dit voorbeeld bewijst dat zo’n herstel niet altijd een langdurig proces hoeft te zijn.
Uit voorbereidend onderzoek is gebleken dat de botanische ontwikkelingsmogelijkheden van het graslandgebied in Zonzeel beperkt zijn en daarom heeft Staatsbosbeheer hier gekozen voor een zogenaamde weidevogeldoelstelling. Dit betekent dat de graslanden regelmatig licht bemest worden met ruige stalmest. In combinatie met een extensief hooi- en weilandbeheer geeft dat een goed ontwikkelde bodemfauna, die weer als voedsel moet dienen voor broedende grutto’s en tureluurs en trekkende goudplevieren en wulpen.
In overleg met het Waterschap is het waterpeil opgezet en zijn de sloten in het gebied aanzienlijk verbreed, waardoor deze een brede oeverstrook hebben gekregen. Ook zijn met de pachters afspraken gemaakt over de tijdstippen waarop het vee de wei ingaat en er gemaaid wordt. Pachters en natuurbeschermers hebben ook afspraken gemaakt over weidevogelbescherming in dit gebied. Samen zoeken zij de nesten van de weidevogels op en plaatsen nestbeschermers, zodat de legsels gespaard worden bij eventuele werkzaamheden en niet vertrapt kunnen worden door het vee.
De aantallen broedende grutto’s en tureluurs in dit gebied nemen duidelijk toe. Daarnaast broeden er typische ‘natte-graslandsoorten’ zoals gele kwikstaart en de zeldzame zomertaling. De laatste jaren worden tijdens het broedseizoen ook regelmatig baltsende watersnippen aangetroffen. Behalve deze kenmerkende weidevogels staat het gebied ook bekend om blauwborst, rietzanger, snor, waterral en bruine kiekendief die in de moerasruigten en rietstroken tot broeden komt. Ook soorten van extensieve agrarische landschappen zoals paapje, roodborsttapuit, grasmus en patrijs zijn geregelde broedvogels. ’s Winters vertoeven er weer flinke aantallen ganzen (tot wel 2.500 exemplaren, meest kolganzen) en smienten in de dan plas-dras staande weilanden. Het gebied is trouwens ook om andere redenen de moeite waard. Zo komen hier ook de heikikker en de rugstreeppad voor, twee amfibiesoorten waarvan vooral de eerste in Noord-Brabant uitgesproken zeldzaam is en wiens voorkomen hier samenhangt met de aanwezigheid van veen in de ondergrond” (80).
