Skip to content
Krimpenerwaard

Krimpenerwaard

Onderdelen

lokatie

samenvatting: 

Status en ligging
- De Krimpenerwaard is een streek in de provincie Zuid-Holland, gelegen Z van Gouda, O van Rotterdam, N van de Alblasserwaard, W van de Lopikerwaard.
- De streek Krimpenerwaard omvat de gemeenten Schoonhoven, Bergambacht, Vlist, Nederlek, Ouderkerk en Krimpen aan den IJssel.
- De sinds 2009 beoogde herindeling in de Krimpenerwaard is voorlopig uitgesteld. Minister Donner wil de gemeenten Bergambacht, Nederlek, Schoonhoven, Vlist en Ouderkerk alleen nog samenvoegen als de provincie met een beter onderbouwd verhaal komt met betrekking tot nut, noodzaak en draagvlak, zo heeft de minister in de zomer van 2011 laten weten.

Geschiedenis
De ontginning
Tot ongeveer duizend jaar geleden bestond de Krimpenerwaard uit moerassig land, dat regelmatig werd overstroomd door water uit de omringende rivieren. Af en toe stroomde ook zeewater binnen. Naast veel struiken en waterplanten, groeiden er in het voedselarme middengebied voornamelijk berken (berkenbosveen). Op de meer voedselrijke grond groeiden elzen (elzenbosveen). Omdat het gebied nauwelijks begaanbaar was, leefden er bijna geen mensen. Het gebied was bekend onder de naam Lacke et Isla oftewel Lek en IJssel. In de 10e eeuw nam de bevolking toe. Er was behoefte aan nieuwe landbouwgronden. De Krimpenerwaard en de Lopikerwaard vormden samen een eiland, een waard, omsloten door in het zuiden de Lek, in het noorden door de Hollandse IJssel en in het westen door de Merwede (nu de Nieuwe Maas). Er stonden bomen die groeiden op een veenlaag van 10 of meer meter dik. De veenlaag was als een groot bolstaand pakket gedurende duizenden jaren gevormd op een zandlaag, 2 tot 4,5 meter hoger dan tegenwoordig. Er liepen in de waarden kronkelige riviertjes als de Loet en de Vlist, die op de IJssel of de Lek uitmondden.

Van de eerste bewoning in de waarden is weinig bekend. De schenking in 944 van Utrecht van het gebied tussen IJssel en Lek, zou kunnen duiden op bewoning. Met of zonder een akte van uitgifte werden bepaalde stukken wildernis door kleinere of grotere groepen mensen ontgonnen. Vermoedelijk heeft de ontginning in drie, elkaar gedeeltelijk overlappende, fasen plaats gevonden. De eerste ontginning vond vermoedelijk op het eind van de 10e eeuw plaats langs de Loet en langs de Hollandse IJssel in de Nessepolder. Wellicht bleken de plaats en de tijd ongunstig en werd het ontgonnen gebied door wateroverlast steeds onaantrekkelijker en verliet men het gebied. De naamgevingen ‘oude land’*1 en ‘oude dijk’ wijzen daarop. De tweede ontginningsfase vond vooral plaats langs de rivieren de IJssel, Lek en Vlist. Deze grote ontginning kwam goed op gang in de 12e eeuw. Vóór 1150 waren de Lek en de Hollandse IJssel dan ook van dijken voorzien.

De ontginning werd volgens een vast omlijnd plan, per blok (later polder genoemd) aangepakt. Behalve het verwijderen van struiken en bomen, moest voor afvoer van het water worden gezorgd. De natuurlijke hoogte van de rivieroever, met name van de Hollandse IJssel, werd gebruikt als basis. De oever zal wat verhoogd zijn en op beide einden van het blok zullen dwarskaden (zijden) zijn aangelegd. Het rivierwater moest daardoor eerst vrij diep het land instromen alvorens achterom het ontgonnen land te bereiken. Het blok werd ingedeeld in een aantal hoeven of weren. Daarna groef men op afstanden van 30 roe (ongeveer 113 meter), de breedte van een weer, evenwijdig van elkaar greppels, die zo recht mogelijk op de dijk of weg stonden. Een dwarsgreppel aan het einde van zo’n eerste strook op een afstand, die meestal 6 voorlingen (360 roe, circa 1250-1300 meter) diep was, diende als bescherming tegen het welwater uit het nog onontgonnen achterland. Een tiendweg op het eind van de kavels had dezelfde functie. Aan de kopkant bij de rivier (als transportweg belangrijk) werd meestal een hofstede gebouwd. De kerk stond ook op een weer, waarvan de inkomsten dienden voor het onderhoud van de kerk. Bij de uitgifte voor ontginning langs de Hollandse IJssel werd in het begin alleen de breedte van de percelen (30 roe) vastgesteld. De lengte was vrij. De ontginner had het recht van ‘vrije optrek’. De weren van Ouderkerk lopen door tot aan het oude land langs de Loet en zijn 28 morgens groot. Een aantal blokken vormde een ambachtsheerlijkheid. Ze werden in naam van de bisschop van Utrecht of de graaf van Holland bestuurd.

In de derde fase, met name bij de ontginning van het binnengebied (de wildernis) werden breedte (30 roe) en lengte (6 voorlingen) vooraf in een zogenaamde cope, het ontginningscontract, vastgelegd. Het oppervlak van een hoeve was 16 tot 18 morgen. Onder leiding van een locator of verpachter, gingen groepen kolonisten aan het werk. De locator, een edelman, stond borg voor de goede gang van zaken en verwierf in ruil hiervoor bepaalde rechten. Rechten en plichten van de kolonisten waren in de cope vastgelegd. In veel gevallen werd de veenwildernis door het aanleggen van een weg en een wetering ontsloten. Vanaf de weg (voorkade) waarlangs de boerderijen waren geplaatst, en de tevoren gegraven wetering werden evenwijdig aan elkaar sloten gegraven. De weteringen werden door vlieten verbonden met de rivier of met een boezem, waardoor overtollig water (regen- en kwelwater) geloosd werd. Een achterkade of lansing (landscheiding) en zijwendes (kaden) aan de zijkanten van de blokken land voorkwamen wateroverlast van de aangrenzende gebieden.

*1 Zie verder bij buurtschap Oudeland.

Gevolgen van de ontginning

Door het graven van sloten werd veel water aan het hoger gelegen land onttrokken. Dit land bestond uit veen: restanten van de bomen en planten die hier eeuwenlang groeiden. Door onttrekking van water aan de bodem kwam het veen in aanraking met lucht en begon het te verteren. Dit proces heeft een aanzienlijke bodemdaling tot gevolg. De grond bleef zakken, waardoor op een zeker moment de natuurlijke afwatering niet meer kon plaatsvinden. Men was genoodzaakt dijkjes aan te leggen langs de rivieren om het water buiten te houden. Hiermee ontstond het probleem om het water uit de inmiddels ontstane polder naar de rivier af te voeren. Hiervoor was al eeuwen eerder een even simpele als geniale oplossing bedacht: de klepduiker. Als de waterstand van de rivier laag genoeg was, stroomde het water door de klepduiker onder de dijk door de rivier in. Steeg het waterniveau, dan belette de klep, die door de druk van het rivierwater werd gesloten, dat het water door de duiker in de polder terugstroomde.

De eerste rivierdijken waren niet erg hoog. Naarmate het land lager kwam te liggen, moesten die dijken beter op elkaar aansluiten en hoger en zwaarder worden. Het toezicht op onderhoud werd steeds belangrijker. Om die reden ontstaan in de dertiende eeuw allerlei hoogheemraadschappen. zoals in de Grote Waard bij Dordrecht, in de Alblasserwaard en langs de Lek benedendams (tussen Schoonhoven en de in 1285 gelegde dam in de bovenmond van de IJssel bij Vreeswijk).

Windmolens

Naarmate de bodem verder daalde, naderde het moment dat ook de klepduiker geen uitkomst meer bracht. Bij de inmiddels tot dijken uitgebouwde dijkjes verscheen de eerste windmolen. De eerste watermolen in de Krimpenerwaard werd in 1411 gebouwd in polder De Nesse bij Gouderak. Dit was een wipmolen met scheprad. Dit type molen werd later veelvuldig gebouwd in de Krimpenerwaard. Het scheprad bood de mogelijkheid het water over een beperkte hoogte omhoog te malen. De hoogte die maximaal kon worden overbrugd, hing af van de grootte van het rad.
Veel later werden ook enkele stenen poldermolens gebouwd, zoals de Haastrechtse Molen en de Zesde Molen van de Hooge Boezem nabij Haastrecht, waarvan alleen de romp bewaard is gebleven. Van later datum is ook de vijzelmolen. Deze molen maakt geen gebruik van de techniek van het scheprad, maar gebruikt de vijzel, een soort enorme schroef, waarmee het water over een grotere afstand naar boven kan worden gebracht dan met een scheprad mogelijk is. Het gebruik van de eerste vijzelmolen dateert van 1635, maar pas in de 19e eeuw werd dit type molen op grote schaal in gebruik genomen.

Omdat het hoogteverschil tussen het laagste punt in een polder en het niveau van het boezemwater soms meer was dan door één molen met scheprad kon worden bemalen, werd de zogenaamde trapbemaling in het leven geroepen. De Krimpenerwaard werd daartoe verdeeld in polders met van elkaar in hoogte gescheiden waterniveaus. Met behulp van windmolens werd het water eerst uit het laagste gedeelte van de polder naar het naast hogere niveau overgebracht en vandaar direct naar de rivier (de boezem) afgevoerd. In sommige delen van de Krimpenerwaard was nog een derde waterniveau nodig, omdat de hoogteverschillen daar te groot waren om met twee molens te overbruggen. Men spreekt dan van twee- en drietrapsbemaling. De molens werden dan qua functie als volgt onderscheiden: de ondermolen, de bovenmolen en de bovenste molen.

Al deze verschillende waterhoogten in de Krimpenerwaard maakten het noodzakelijk dat de verschillende polders goed met elkaar samenwerkten. Men had een gemeenschappelijk belang en een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid om overeenstemming te bereiken. Ziehier de wortel van wat men vandaag de dag het poldermodel noemt! In de Krimpenerwaard kreeg deze samenwerking gestalte in de vorm van het reeds in 1430 door Jacoba van Beieren en Philips (de Goede) van Bourgondië opgerichte Hoogheemraadschap van de Krimpenerwaard.

In de loop van de 17e en 18e eeuw nam het aantal windmolens gestaag toe. Rond 1650 waren er in de Krimpenerwaard 59 schepradwindmolens actief. Het loon dat de molenaar van het Polderbestuur ontving, was in 1532 gemiddeld 14 gulden en 8 stuivers per jaar. In 1613 was het loon gestegen naar een bedrag tussen de 50 en 65 gulden per jaar. Omdat men ook in die tijd niet van dat bedrag kon leven, zocht de molenaar naar nevenactiviteiten. Hij vond die vaak in de vorm van baggeren en het verzorgen van de kades.

Het stoomtijdperk

Aan het eind van de 18e eeuw werd de stoommachine uitgevonden door James Watt en halverwege de 19e eeuw deed het stoomgemaal zijn intrede in Nederland. Het polderwater in de Krimpenerwaard werd door deze gemalen afgewaterd op de Lek en de Hollandse IJssel, waarbij men niet langer afhankelijk was van de wind. Het eerste stoomgemaal dat in de Krimpenerwaard in gebruik werd genomen, was het stoomgemaal aan de Berkenwoudse Boezem. Dit gemaal dateert uit 1803 en was er speciaal op gericht de gronden van de ‘geoctroyeerde vervening’ (een project voor de winning van turf) te bemalen. Doordat de kwaliteit van de aldaar gewonnen turf beneden de maat bleek, werd het project geen succes. Het stoomgemaal werd al in 1813 niet meer gebruikt en in 1832 is het gesloopt. In 1868 werd gemaal Reinier Blok bij Krimpen aan den IJssel actief en in 1871 werd het Stoomgemaal S.J. van Nooten te Haastrecht in gebruik genomen. In 1880 volgde het gemaal M. Verdoold Cz. bij Gouderak. Deze gemalen loosden alle op de Hollandse IJssel. Andere gemalen, zoals het gemaal Hendrikus de Jong bij de Vrouwensluis te Krimpen aan de Lek (1878), loosden op de Lek.

Als gevolg van de ingebruikname van de stoomgemalen verloren de windmolens al snel aan belang. Veel molens raakten in verval en werden uit kostenoverwegingen gesloopt. Omdat de krachtige gemalen rechtstreeks op de rivieren loosden, werden ook de boezems*1 overbodig. In veel gevallen werden ze als grasland in gebruik genomen. Maar ook de stoomgemalen moesten na enkele decennia de gevolgen ondervinden van de voortschrijdende industriële ontwikkelingen: tussen 1910 en 1920 werden de stoommachines vervangen door dieselmotoren, die later op hun beurt plaats moesten maken voor gemalen met elektromotoren.

*1 Een boezem is het geheel der stilstaande, van het buitenwater afgesloten plassen, kanalen, tochten en sloten, waarop het water uit lagergelegen polders wordt uitgeslagen. De term wordt voor het eerst vermeld in 1285. De verklaring is etymologisch onzeker, waarschijnlijk is de grondbetekenis ‘zwellen’. (114)

Overstromingen

Als gevolg van het zakken van de bodem in de Krimpener- en Lopikerwaard, werd het noodzakelijk dijkjes en dijken aan te leggen om het rivierwater buiten de deur te houden. Al snel bleken deze dijken niet steeds te zijn opgewassen tegen hoge waterstanden. Ook in de 21e eeuw is het ophogen en versterken van de dijken aan de orde van de dag. De geschiedenis van dijkdoorbraken en -herstel is al vanaf de 14e eeuw een rode draad door de geschiedenis van zowel de Krimpener- als de Lopikerwaard. De laatste keer dat dijken in de Krimpenerwaard doorbraken, was bij de Watersnoodramp van 1 februari 1953. In de Stormpolder bij Krimpen aan den IJssel (waar toen nog ca. 40 gezinnen woonden) kwamen toen vier mensen om het leven en in Ouderkerk aan den IJssel twee. Een monument ter nagedachtenis aan de ramp staat in Krimpen aan den IJssel*1. Na de ramp werd snel een politieke beslissing genomen over het Deltaplan. Omdat de Schielands Hoge Zeedijk, die miljoenen mensen tegen het water moest beschermen, het maar krap had gehouden, werd dit probleem als eerste aangepakt. Er werd gekozen voor de bouw van een beweegbare stormvloedkering bij Krimpen aan den IJssel*2. Zowel de scheepvaart als de waterhuishouding werden hierdoor zo veel mogelijk ontzien.

1 Het monument staat op het havenhoofd aan de Hollandse IJssel, bij restaurant/molen De Schelvenaer, halverwege de twee doorbraken (bij Stormpolder en Ouderkerk aan den IJssel).
2 Zie verder aldaar bij Bezienswaardigheden.

Watermanagement vandaag de dag

Het waterniveau in de diverse polders wordt nu elke nacht automatisch opgemeten door elektronische meetinstrumenten die door de gehele Krimpenerwaard zijn verspreid. De verzamelde gegevens worden verzonden naar het Hoogheemraadschap te Krimpen aan den IJssel. Aan de hand van alle binnengekomen data wordt bepaald of het waterniveau plaatselijk dient te worden aangepast.

Recente ontwikkelingen
Veenweidepact Krimpenerwaard
Het Veenweidepact Krimpenerwaard werkt aan vijf doelen: de aanleg van nieuwe natuur, duurzaam waterbeheer en het tegengaan van bodemdaling, het versterken van de landbouwstructuur, extra kansen voor toerisme en recreatie en het stimuleren van vernieuwend ondernemerschap. In het pact werken overheden en maatschappelijke organisaties samen aan de toekomst van de Krimpenerwaard. In de Krimpenerwaard wordt middels de uitvoering van het Veenweidepact 2450 hectare nieuwe natuur aangelegd.

Musea
- Het Streekmuseum voor de Krimpenerwaard is gevestigd te Krimpen aan den IJssel.

Jaarlijkse evenementen
- Een evenement dat telkens honderden mensen gelukkig maakt, is de Truckrun Krimpenerwaard en Lopikerwaard (op een zaterdag in september, georganiseerd door de Stichting De Waardse Truckers). Meer dan 200 verstandelijk en lichamelijk gehandicapten fungeren die dag als bijrijder op een truck. Aan de run doen circa 150 truckers mee. Dat dat een imposant gezicht is, niet alleen voor de deelnemers maar ook voor de toeschouwers, moge duidelijk zijn. Het konvooi is bij stilstand al circa twee kilometer lang, als het geheel gaat rijden wordt dat ‘opgerekt’ tot zo’n zes kilometer! Site Truckrun Krimpenerwaard en Lopikerwaard.

Landschap, natuur en recreatie
- Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer Weidehof Krimpenerwaard.
- Natuur- en Vogelwerkgroep De Krimpenerwaard.

Literatuur
- Hoofdredacteur van Plaatsengids.nl Frank van den Hoven heeft in 2002 het boek Op ontdekkingstocht door Krimpenerwaard en Lopikerwaard geschreven en uitgegeven. Met gedetailleerde beschrijvingen en afbeeldingen van niet alleen de bekende 30 steden en dorpen in die streken, maar vooral ook de 50 relatief onbekende buurtschappen, die net zozeer de moeite waard zijn om over te lezen en eens 'in het echt' te gaan bekijken, maar die doorgaans worden vergeten in boeken en op sites. Via de link is het boek online te bestellen.
- In 2010 is een herdruk verschenen van het boek De Krimpenerwaard tijdens de Tweede Wereldoorlog.
- Nieuwe en/of tweedehands boeken over Krimpenerwaard (online te bestellen).

Links
- Zeer uitgebreide site over geschiedenis en bezienswaardigheden van alle kernen in de Krimpenerwaard.
- K5-gemeenten: samenwerkingsverband van de gemeenten Bergambacht, Nederlek, Ouderkerk, Schoonhoven en Vlist.

In 2002 (maar nog altijd actueel!) is het naslagwerk "Op ontdekkingstocht door Krimpenerwaard en Lopikerwaard" verschenen. Onder het kopje Literatuur ziet u hoe u het online kunt bestellen.

Kenmerken (classificatie)

Type object: 
streek
Streek: 
Krimpenerwaard
Provincie: 
Zuid-Holland
0

Nieuwe reactie inzenden

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Use <bib>...</bib> to insert automatically numbered references.
  • Use [fn]...[/fn] (or <fn>...</fn>) to insert automatically numbered footnotes.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Allowed HTML tags: <a> <b> <address> <blockquote> <br> <caption> <center> <code> <dd> <del> <div> <dl> <dt> <em> <h2> <h3> <h4> <h5> <h6> <hr> <i> <img> <li> <ol> <p> <pre> <span> <strong> <sub> <sup> <table> <tbody> <td> <tfoot> <th> <thead> <tr> <u> <ul> <tr> <img> <span>
  • Regels en paragrafen worden automatisch gesplitst.

Meer informatie over formaatmogelijkheden