Houten Noorse "noodwoningen" n.a.v. watersnoodramp 1953
In Nieuw-Vossemeer bevindt zich nog immer een wijkje met destijds als noodwoningen bedoelde houten Noorse woningen, bestemd voor de opvang van mensen van wie de huizen door de watersnoodramp van 1953 waren beschadigd. Ze zijn door het Noorse Rode Kruis geschonken aan de gemeente Nieuw-Vossemeer.
De gemeente trad aanvankelijk ook op als huurbaas. Wekelijks kwam een ambtenaar de huur ophalen, in die tijd circa €3,00 per week. Voor de woningen gold een afschrijvingstermijn van 25 jaar. Na die 25 jaar konden de bewoners het huis kopen. Zij hoefden dan alleen maar de prijs van de bouwgrond te betalen. Dat was alleszins billijk, vindt An Clarijs uit de Oslostraat: “Per slot van rekening had de gemeente ze ook maar cadeau gekregen en verder hebben ze nooit iets uitgegeven aan onderhoud. Het enige wat zij eraan deden, was eens in de zoveel jaar een schilder langs sturen, maar die gebruikte dan een kwaliteit verf van niks. Als je niet uitkeek en je raakte met je kleren de muur, dan waren die meteen wit. Zo gaf die verf af” (452). Echtgenoot Jan stelt: “Het was een mooi gezicht. Op de dag dat de huizen werden overgedragen, ging iedereen aan het schilderen. De buurt had er nog nooit zo netjes uitgezien.”
Zelf hebben zij hun huis zo veel mogelijk in originele staat gelaten, dus niet zoals veel anderen er een stenen muur omheen gebouwd en ook geen centrale verwarming geïnstalleerd. “Daar hebben wij nog wel even over nagedacht, maar gelukkig hebben wij dat nooit gedaan. In Noorwegen zijn ze zo gek nog niet. Zij hebben daar niet voor niks allemaal een houten huis. Niets isoleert beter dan hout. In zo’n huis is het nooit erg koud en nooit erg warm. Geef ons daarom maar ons houten huis.” De meeste woningen zijn in de loop der jaren dusdanig verbouwd dat alleen nog aan de vorm te zien is dat het ooit een Noorse woning was.
Grappig detail is dat de huizen oorspronkelijk allemaal hetzelfde voordeurslot hadden, waardoor je met één sleutel alle huizen binnen kon. Niemand maakte daar misbruik van, maar je kon je wel gemakkelijk vergissen. Jan Clarijs weet zich daarover nog een anekdote te herinneren: “Destijds woonde in één van deze huizen een vrijgezelle jongen. Die was op de kermis goed uit geweest en liep, toen hij ’s nachts thuiskwam, met zijn zatte kop het verkeerde huis binnen. Hij merkte het pas toen hij in bed stapte en de buurvrouw wakker schoot.”
