Watertoren
Tot in de jaren dertig van de 20e eeuw gebruikte men het water uit de Meije als drinkwater. Sommigen filterden het water eerst, anderen dronken het zó. Saillant detail daarbij is dat er in die tijd geen riolering bestond en dat de koeienmest en menselijke uitwerpselen vaak rechtstreeks in de Meije werden geloosd. Alleen zomers wanneer het polderwater te lauw was, werd er vanuit Nieuwkoop of Bodegraven vers kraanwater ingevaren.
In 1926 werden de eerste plannen gesmeed om het Bodegraafse waternet tot in de Meije door te trekken. Om genoeg druk te kunnen realiseren, moest er een extra watertoren worden gebouwd. De watertoren, met gezien zijn markante vorm de bijnamen Piet Potlood en Het Zoutvat, is uiteindelijk in 1932 in gebruik genomen.
In 1927 werd de Meije ook van electriciteit voorzien, maar het zou nog tot ca. 1982 duren eer de Meije ook haar eigen rioleringsstelsel kreeg. De vele klepsluisjes die het zwaar vervuilde fosfaatrijke Meije-water uit het natuurgebied de Nieuwkoopse Plassen moesten weren, zijn nog steeds de stille getuigen daarvan. Wie een kanovaart langs de Meije maakt komt er vast en zeker eentje tegen.
De Watertoren was destijds revolutinonair qua ontwerp en contructie. Het was één van de eerste betonnen torens waarbij gebruik is gemaakt van een zogenaamde glijbekisting. Bij deze bouwwijze wordt de glijbekisting, als het beton voldoende verhard is, telkens een stukje omhoog gehesen. Om deze klus te klaren wordt Siemens Bau-union uit Berlijn naar de Meije gehaald. Daar de toren in de Tweede Wereldoorlog een baken voor zowel de geallieerden als voor de Duitsers is, loopt het gebouw de nodige schade op, zonder dat de functie echter in gevaar komt. In 2001 werd het gebouw op de Rijksmonumentenlijst geplaatst.
Naast de watertoren ligt het Oortjespad of het Papenpad. Kerkgangers uit Nieuwkoop die in de Meije de Rooms-Katholieke kerk wilden bezoeken, moesten vroeger als tolheffing een oortje betalen.

