Huis te Vliet
Huis te Vliet*1 (Lopikerweg Oost 164) wordt voor het eerst genoemd in een oorkonde van 11 juni 1375, waarin hertog Albrecht van Beieren erkent dat Aernt van Egmond, Heer van IJsselstein, uit gunst en niet verplicht is te helpen bij het verhogen van de Lekdijk naast het Huis te Vliet. In 1538 wordt het als ridderhofstad erkend. Dit betekent dat de bezitters ervan toegelaten konden worden tot de ridderschap van Utrecht. Vóór de instelling van het instituut 'gemeente' in de Franse Tijd, was Huis te Vliet een apart 'gerecht', evenals Zevenhoven zoals destijds de oostelijke uithoek van Lopikerkapel heette.
In 1815 is het huis grotendeels afgebroken. Alleen het bordes en een klein gedeelte van een vleugel zijn blijven staan. Op de oude kelders en funderingen heeft jonkheer J.W.A. Barchman Wuytiers het huis herbouwd. Dit is het huis dat er thans nog staat, zij het dat na de veiling van 1936 een verdieping is afgebroken, waardoor het pand veel van zijn karakter heeft verloren.
Ongeveer vijfhonderd meter naar het westen heeft ook nog een Hofstede te Vliet gelegen. Op deze hofstede woonde in de eerste helft van de 14e eeuw het geslacht van Vliet. Wanneer en waarom deze hofstede is verdwenen, is niet zeker. Vermoed wordt dat het verwoest is tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten van 1481/1482. (225)
*1 Niet te verwarren met het Huis te Vliet in de westelijk van Oudewater gelegen buurtschap Vliet. Zie verder aldaar.

Nieuwe reactie inzenden