Abdij Rolduc
Rolduc is het grootste bewaard gebleven kloostercomplex van Nederland.
Oudere schrijfwijzen: 1108 Rode, 1280 Rode ducis, 1374 Rode le Duc. Betekent ‘rooiing van de hertog’. Oorspronkelijk was Rode de naam voor zowel het kasteel, de abdij als het dorp met de kerk (Kerkrade). De Duitse vorm, Herzogenrath, wordt nu gebruikt voor de Duitse plaats bij het kasteel. Kloosterrade, vervangen door Rolduc, de Franse naam voor de vroegere abdij, is nu de naam voor het seminarie van het bisdom Roermond. (3083)
Rolduc is in 1104 gesticht door Ailbertus van Anthoing. In 1815 kwam de abdij Kloosterrade tengevolge van een grenscorrectie onder Nederlands bestuur, gemeente Kerkrade.
De abdij heeft vooral in de Middeleeuwen een grote rol gespeeld als godsdienstig en cultureel centrum. In 1742 nam de abdij de kolenwinning en -exploitatie in eigen hand; het was de enige plaats in Nederland waar kolen werden gedolven in dagbouw. De Domaniale Mijn nam deze over toen de Fransen de kloosters in onze streken ophieven.
Op één van de flanken van het Wormdal, nabij de latere grens met Duitsland, kozen Ailbert en een kleine schare volgelingen 900 jaar geleden een fraaie plek. Hier in Rolduc bouwden ze een klooster voor hun nieuwe, volgens de Augustijner regels levende en werkende gemeenschap.
Nu is alleen de aan Maria en Gabriël gewijde kloosterkerk nog middeleeuws. Deze wordt vanwege architectonische en decoratieve bijzonderheden gerekend tot de belangrijkste romaanse kerken die in Nederland behouden bleven. Hij stamt voor het overgrote deel nog uit de 12e en 13e eeuw, afgezien van kleinere wijzigingen die van tijd tot tijd aan elke kerk plaatsvonden vanwege onderhoud of de wisselende mode.
Het koor is als uitzondering in zijn geheel van jongere makelij. Had men hier in de late Middeleeuwen al een nieuw koor gebouwd in gotische trant, het was Pierre Cuypers die de oostelijke zijde van het gebouw in de periode 1891-1902 (ofschoon als altijd consciëntieus historiserend) ontdeed van zijn middeleeuwse wezen en herbouwde. Aan dezelfde zijde rest echter wel de romaanse crypte, onder dat nog maar net antiek te noemen koor.
Op de plaats van de crypte zou het allemaal begonnen zijn in 1104. Ailbert begon hier met de bouw van een kleine houten kerk, die in 1106 alweer vervangen werd door een stenen. Binnen een jaar ging ook dit gebouw tegen de vlakte, doordat een invloedrijke man, Embrico, zich met zijn gezin bij de gemeenschap aansloot en deze ertoe wist te brengen een prestigieuzer bouwwerk te creëren. Dat dit tegen de haren van stichter Ailbert instreek weten we uit een zeer belangrijk document, de Annales Rodenses. De leider vertrok uit Rolduc in 1111. In de volgende decennia verrees er een monumentaal kerkgebouw.
Zoals het er uiteindelijk uitziet, voorzagen de bouwers de kerk van een schip met zijbeuken, een transept aan de oostzijde van het schip én twee zogenaamde pseudotransepten westelijk hiervan. Een pseudotransept is een dwarsbeuk die de zijbeuken haaks doorsnijdt, maar zich niet - zoals een echt transept wél doet - buiten de hoofdomtrekken van het schip begeeft. Aan de oostzijde bouwde men boven de crypte met dezelfde grondvorm een koor met klaverbladvormige plattegrond, dus drie halve cirkels die elk tegen een zijde van een vierkant zijn gelegd. Aan de westzijde staat een forse blokachtige westbouw, die zich verjongt en in het midden tot een stoere toren vormt.
De Annalen, die werden geschreven in het laatste kwart van de 12e eeuw en de ontwikkelingen tot 1157 volgen, vertellen onder meer hoe de kerk tot stand kwam. Verschillende bouwcampagnes worden beschreven en ook van (al dan niet tussentijdse) wijdingen worden we op de hoogte gesteld. Dit is voor de architectuurvorsers een zeldzaamheid en natuurlijk zeer welkom. Het is helaas echter niet zo dat op grond hiervan de hele bouwgeschiedenis tot in de puntjes bekend is.
Na een periode waarin de wetenschappers hun uiterste best deden de materiële gegevens ter plaatse in overeenstemming te brengen met wat werd geschreven, is nu een nieuwe fase aangebroken die als kern heeft de waarheid van wat de monniken schreven te wantrouwen: het heeft er de schijn van dat men de zaken iets verdraaid heeft en wel ten faveure van de opgestapte eerste leider, wiens elders begraven botten men graag terug zag komen en wiens prestaties voor juist dit klooster men daarom enigszins opklopte.
De bouwgeschiedenis is dus minder eenduidig en zeker complexer dan hier kan worden beschreven. We kunnen de hoofdlijnen geven: de derde versie van de crypte, die op voorspraak van Embrico werd gebouwd, had nog niet de klaverbladvorm. Aangenomen wordt dat de kerk als geheel meer een standaard basilicale structuur volgde, bestaande uit een schip met een arcade volgens het gebonden stelsel, zijbeuken en een transept waarachter aan de oostzijde een koor met halfronde apsis lag. Onder dit koor was aanvankelijk een hallencrypte op zuilen, maar zonder zijnissen. In de loop van de 12e eeuw kwam een verlenging van het schip tot stand, maakte men de pseudotransepten (waarbij de oostelijke van de twee een doorbraak van de bestaande schipstructuur betekende) en werd de crypte in westelijke richting onder het transept verlengd. Pas aan het begin van de 13e eeuw voltooide men het westblok met toren en werd de plattegrond van de oostpartij gewijzigd in het klaverblad.
Zoals de vorm van de oostelijke delen en de pseudotransepten opmerkelijk zijn en vragen oproepen over hun oorzaken, zo is in de kloosterkerk van Rolduc ook een hoeveelheid gebeeldhouwde decoraties behouden gebleven die belangwekkend genoeg is om regelmatig in vakliteratuur binnen een internationale context te worden beschouwd. In de crypte bevinden zich enkele onderscheidbare typen fijn gebeeldhouwde kapitelen, basementen en zuilschachten die door hun constellatie evenveel vragen oproepen als beantwoorden: er zijn enkele perioden door elkaar gegooid. Maar ook boven de grond vinden we sculptuur van hoge kwaliteit op basementen en kapitelen met onder andere fabeldieren en bladranken. De stijl en de afgebeelde motieven wijzen tot ver over de huidige grenzen als we vragen naar hun bakermat. Hier zijn, zoals ook in Maastricht en elders in het Rijn- en Maasland, Noord-Italiaanse krachten aan het werk geweest, of tenminste ambachtslieden die de beeldtaal uit de eerste hand van Italiaanse meesters leerden. Hetzelfde geldt overigens voor een bouwkundig motief als het pseudotransept. Weliswaar vinden we dit in de Nederlanden ook in Maastricht (Onze Lieve Vrouwe) en Utrecht (de verdwenen Mariakerk), maar de oorsprong moet toch elders worden gezocht: pseudotransepten vinden we ook in een reeks Noord-Italiaanse kerken.
We passen echter op met het formuleren van een ‘voorbeeldfunctie van Italië op artistieke gronden’. Wanneer we de deskundigen volgen, ontdekken we dat ‘keizerlijk’ en niet ‘Italië’ (als zodanig in de Middeleeuwen natuurlijk niet eens bestaand en óók onderdeel van het Duitse keizerrijk) werd nagevolgd. En inderdaad; op zoek naar de pseudotransepten die als voorbeelden eerst in Noord-Italië en later in onder andere Rolduc werden nagevolgd of geciteerd, komen we uit bij de essentiële keizerlijke 11e eeuwse Dom van Trier. Voor Italiaanse beeldhouwershanden in het noorden - het staat vast dat de sculptuur ten zuiden van de Alpen rond 1100 op een benijdenswaardig veel hoger niveau stond dan in de noordelijke Duitse landen - moeten we in de eerste plaats naar Speyer kijken. Daar stond de dom die iedere bouwende heerser die zichzelf binnen het keizerrijk een zekere status toedichtte, als voorbeeld nam.
Het klooster van Rolduc was geen gemeenschap die was afgezonderd van de wereld. Integendeel; machtige adel die gerelateerd was aan de Limburgse graven (waarvan het het huisklooster was), aan de Vlaamse graven en aan het keizerlijk hof, had er iets te zeggen. Dat ook de kerk van Rolduc via architectuur en decoraties getuigt van de state of the art in de kerkenbouw zegt, ook al weten we niet altijd wie op welk moment geld en advies gaven, iets over de positie en aspiraties van zijn protagonisten. De Annales Rodenses melden dat de kerk begin 12e eeuw volgens ‘scemate longobardino’ is gebouwd. Ofschoon we nu weten dat de huidige structuur pas in de loop van die eeuw en zelfs nog in het begin van de volgende geleidelijk aan werd ontwikkeld en dat het zogenoemde Lombardijnse schema er tegen het einde van de 12e eeuw door de ‘analist’ in werd ‘gedacht’, is het een veelzeggende uitspraak. Het betekent dat men zich niet alleen aansloot bij de hoogst aangeschreven bouwwijzen binnen het keizerrijk, maar dat men zich er ook rekenschap van gaf.
Tegen deze achtergronden lijkt alles dat gebeurde na de laatste wijding binnen de bouwtijd in 1224 weinig van belang. Desondanks is ook uit latere eeuwen het een en ander bewaard gebleven dat onze belangstelling verdient. Werk aan de toren werd in de 17e eeuw uitgevoerd. In de westgevel is een gedenksteen die bericht dat abt Balduïn van Horpusch in 1624 een verbouwing liet uitvoeren. Boven de galmgaten zien we uit muurankers het jaartal 1678 gevormd. De concave schilden van de torenspits kwamen toen tot stand. De abtswoning aan de linkerkant van de westbouw werd in ongeveer dezelfde tijd gebouwd. Ook 17e-eeuws zijn het grafmonument van Walram III, hertog van Limburg (gestorven in 1226 - dit is een kopie naar een 13e eeuws origineel), dat onder een rooster in het schip ligt, delen van het kruisigingsretabel in het transept en de eiken koorbanken met rankmotieven.
Aan het einde van de grote restauratie onder leiding van Pierre Cuypers (durend van 1853 tot 1900!) werden eindelijk de stoffelijke resten van stichter Ailbert naar Rolduc gebracht. Zijn sarcofaag is in de crypte. Kunstenaar en kanunnik Goebbels schiep wandschilderingen en mozaïeken in het interieur. Hij haalde daarbij een hoog niveau en oversteeg, hoewel gebruik makend van vroegchristelijke en romaanse thematiek in een modern aandoend jasje, mede door zijn geraffineerde vertelling het droge historisme dat veel van de kerkelijke decoratieprogramma’s van omstreeks 1900 kenmerkt. Jos Cuypers nam het westelijk deel van het gebouw begin jaren dertig onderhanden. Het is aan ons om te bepalen welke jongere delen mogen opgaan in de geschiedenis van het gebouw en welke weer zullen worden weggepoetst.
De kerk vormt weliswaar de geestelijke en bouwkundige kern van het abdijcomplex, maar er is meer. Het omvat verder de ambtswoning (1676), de watertoren (1671, volgens inscriptie), de zogeheten Carré - het pandhof (waarvan in ieder geval een versie uit 1676 bestaan heeft die in 1895 door een neoromaanse gang is vervangen), de Morettivleugel uit 1751-1754 (met prachtige interieurs, waaronder de bibliotheek met rococo stucdecoratie uit de bouwtijd) en het in 1849 gebouwde ‘Instituut’ naar ontwerp van Franz Klausener. Deze gebouwen hebben afzonderlijk een zekere waarde - sommige zijn zeer fraaie voorbeelden van hun type, betekenisvol als exponent van een stijl of representant van hun tijd - maar hebben als belangrijkste cultuurhistorische rol, dat zij deel uitmaken van een gedurende vele eeuwen naar de eisen van tijd, esthetiek en functie gegroeid complex. Sinds 1831 is het seminarie hier gevestigd.
(bronnen: 3315, 3316, 3317, 3323, bewerkt door 3324).
In de 19e en 20e eeuw tot na de Tweede Wereldoorlog was het een vermaard onderwijsinstituut. Van 1946-1971 was er een seminarie voor de priesteropleiding. Daarna zijn er in gevestigd: congrescentrum met tienduizenden bezoekers per jaar; grootseminarie van het Bisdom Roermond en gymnasium voor Kerkrade en omgeving.
Literatuur: Jaarboek 2004, deel 140, ‘Toegewijd aan de dienst van God’, Facetten van 900 jaar Kloosterrade-Rolduc. Uitgave: Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap, 515 pp.
Recente ontwikkelingen
De omvangrijke landerijen rondom de abdij hebben de tijd goed doorstaan, getuige ook de vele eeuwenoude bomen. De abdij wordt als ‘eiland van rust en stilte’ in de markt gezet.
Sinds 1970 is Rolduc naast Groot Seminarie van het bisdom Roermond tevens een multifunctioneel cultureel centrum. Onlangs is het startdocument voor de aanleg van een golfterrein met 18 holes op de landerijen van Rolduc ter inzage gelegd. Dat geschiedt in het kader van het project Eurodepark waarin onder meer de gemeente Kerkrade en het Duitse Herzogenrath participeren. Eurodepark wil het verband zichtbaar maken tussen de onderdelen van de ‘Historische Driehoek’: Rolduc, de Burcht Rode en de Baalsbruggermolen. Vanaf het begin is er al verzet bij de bevolking. Dit vanwege gevreesde beschadiging van het gebied, zoals door het onttrekken van 149.000 m3 water per jaar die voor beregening nodig is.
Verder is het aannemelijk dat de bestaande hotel -en horecavoorzieningen worden uitgebouwd en is het de vraag of de abdij als ‘eiland van rust en stilte’ deze positie kan behouden. Hoe kijkt Heemschut tegen deze plannen aan? Het is begrijpelijk dat Rolduc naar dragers zoekt die een duurzame financiële toekomst van de abdij garanderen. Hoe anders zou dit bijzondere erfgoed kunnen blijven bestaan? Tegelijk zou echter geen afbreuk mogen worden gedaan aan de cultuurhistorische waarden en landschappelijke kwaliteiten, die in het bestaande bestemmingsplan Buitengebied door het conserverend karakter van dat plan worden beschermd. Het komt er dus op aan een uitgekiend ontwerp op te stellen.
Heemschut is voorstander van interdisciplinaire planvorming met bijdragen van landschapsarchitectuur, stedenbouwkunde en historische geografie. Heemschut maakte dit kenbaar in een brief aan de gemeente Kerkrade als reactie op de in werking gezette MER-procedure (milieu effect rapportage). De verdere ontwikkelingen op weg naar het nieuwe bestemmingsplan worden nauwlettend gevolgd.
(aldus Ad Bokhorst op de site van Heemschut, augustus 2008)
